|
Minnertsga

|
| Minnertsga: dorp in het hoge noorden. |
Minnertsga is een plaats in Noord-Friesland, aan de rand van de oude Middelzee.
Het is het meest oostelijke terpdorp op de belangrijkste kwelderwal van het oude Barradeel. De terp is vanaf
de 8ste eeuw opgeworpen.
De naam van het dorp komt overigens in 1168 voor het eerst officieel aan het licht in de kerkelijke
Beneficiale boeken. Daarin wordt vermeld dat Godefridus van Rhenen, de bisschop van Utrecht, tenminste de helft van de kerkelijke
goederen van de parochiekerk ‘Minnersghae’ schenkt aan de frater Gilbert van Rudingakerke van het klooster Luntsjerk
onder Midlum. De eerst kerken waren van leem en hout, maar moesten vaak wijken voor overstromingen en storm.
De kerk is eeuwenlang verbonden geweest met de Hermana’s van het middeleeuws kasteel Grut Hermana
en later het slot Lyts Hermana. Van die familie zijn in de kerk nog prachtige zerken bewaard gebleven. Beide adelijke
staetes zijn sinds lang verdwenen.
Sinds het door de gemeentelijke herindeling bij Het Bildt werd ingedeeld, is dit het oudste dorp van de
gemeente.
In de Tegenwoordige Staat van Friesland uit 1786 is te lezen:
‘Minnertsga is het grootste dorp der Grieteny. Hier vindt men eene zwaaren Kerk en toren, weleer,
volgens de overleveringen, gediend hebbende tot eene Vuurbaak, met eene groote dubbele Kerkbuurt, en in den omtrek 40 stemdraagende
plaatsen waaronder vanouds veele Adelyke Staten zyn geweest.’
Deze grote kerk is gebouwd in 1505 als een St. Martinuskerk. De torenspits ging door blikseminslag verloren
in 1552. Daarna kwam er een zadeldak op de toren.
Dit bovenste stuk van de toren (met het zadeldak) is in 1818 nog eens geheel gerestaureerd. Na
de brand van 1947, waarbij het interieur met het Hinsch-orgel verloren ging, vond restauratie plaats en heet de kerk:
Meinardskerk, genoemd naar de weg langs de kerk.
En ook hier, tegen alle verwachting in, ontdekken we toch een maalkruis op de muur van
het kerkschip. Wat opvalt is, dat in deze travee, waarin zich dit maalkruis bevindt, voor het overige muurvlak geen kleurkeuze
van de metselstenen is toegepast. De kleuren werden door elkaar gebruikt.
In de overige traveeën van de kerk is dit juist wel gebeurd. Daar zien we regelmaat in een
gelaagde toepassing van de gele en rode kloostermoppen.
Als je van metselwerk houdt, is deze toren (en veel andere torens op de Friese klei) een juweeltje qua kleurenpracht.

|
| Minnertsga (Frl). Maalkruisteken op schip aan de noordzijde v.d. kerk. |
Groot is hier het verschil tussen toren en kerkschip. De toren werd vrijuit gemetseld zonder naar de steenkleur
te kijken. Het schip werd heel netjes gelaagd gemetseld.
Opvallend is daarbij dat de travee ( aan de noordzijde), waarin zich het maalkruis bevindt, nog rondom in
willekeurige kleurkeuze gemetseld is.

|
| Minnertsga: zicht op het regelmatige baksteenpatroon van het schip, zuidzijde. |
Berghum (bij Denekamp)
Klopjeswoningen
In de 17e eeuw woonden in zulke boerderij-achtige woningen vrome dames, die bij andere katholieken
op de deur klopten, wanneer zij illegaal een eucharistieviering wilden houden. Het katholieke geloof was toen verboden. Maar
deze afleiding van het woord klopje is achterhaald.
Waar hun naam vandaan komt, is onduidelijk. Waarschijnlijk stamt het af van de gezegde dat 'Jezus
aan hun hart klopte'.
Het woord klopjeswoning heeft trouwens ook nog een heel oude connectie, nl met de hofmeier, het hoofd
huishouding aan het Merovingische hof. Deze hoge vorstelijke dienaar woonde in een zogenaamde klopjeswoning. Later heet een
aanbouw aan een boerderij ook klopjeswoning. Mogelijk is de naam afgeleid van de woning waar bezoekers/leveranciers dienden
aan te kloppen.

|
| portret van een klopje |
Klopjes waren ongehuwde, deels wereldlijke en deels geestelijke vrouwen die liefdadigheid
voor de kerk tot levensdoel hadden. Klopjes hadden een druk leven. Ze mediteerden, baden en assisteerden de pastoor in zijn
werk. Daarnaast verzorgden ze zieken, werkten in de schuilkerken en waren doende met handwerken.
Ook in Borne (bij Hengelo) zijn nog fraaie klopjeswoningen bewaard gebleven.
In en om Gouda woonden door de jaren heen zo'n driehonderd van deze devote dames. Dit waren
soms rijke vrouwen, maar er zijn ook klopjes bekend die een baan hadden als huishoudster of lesgaven op de klopjesschool in
het Tapijthuis aan de Molenwerf.
Stadsgids in Gouda: Imelda van der Linden: ,,Er was rond 1628 zelfs een katholieke kostschool waar
gereformeerde ouders hun kroost naar toestuurden omdat hier het onderwijs zo goed was.
Het leven was in die tijd zwaar. Mensen moesten hard werken, er was armoede en onderdrukking. Als je, als
vrouw zijnde, niet wilde trouwen en erg vroom katholiek was, werd je een klopje. Het klooster was geen optie meer want die
waren onder druk van de reformatie opgedoekt.''
In Haarlem woonden klopjes bijeen in de woonwijk Bakenes.
| foto: Anneke Striezenau-van Marle |

|
| Berghum: Klöpjeshoes |
Donderbezem
Achter de openstaande deur treffen we een metselteken aan, dat bekendheid geniet onder de naam donderbezem.
Het teken werd aangebracht om een huis te beschermen tegen blikseminslag en mogelijk nog ander onheil.
| foto: Anneke Striezenau van Marle |

|
| Berghum: Donderbezem op muur van het klöpjeshoes |
|